Korte Verhalen

Inzending Nederland Schrijft, Boekenweek 2014

Kattenoren

Pessimists I cannot have’, zegt Tammy Hanssen naast me, hobbelend door de binnenlanden van Namibië. In zacht eindemiddaglicht golft gras als een zilveren zee. Sydney meldt zich: ‘Beautiful hè ‘boss’!’ Realistisch is AfriCat-directeur Tammy wel: ‘Misschien zijn we te laat, maar opgeven: nooit!’ Hier heerste wildernis tót het Ministerie van Toerisme en Natuur hekken plaatste. Het land veranderde in bijna-woestijn. Miljoenen dieren stierven. Voorheen volgden planteneters regen en vers gras, vleeseters volgden planteneters. Nu delen rijke toeristen, veeboeren en net overlevende dieren dit barre land. Het verschil: toeristen gaan naar huis. De achterblijvers, mens en dier, vechten om te overleven nu het delicate evenwicht, waarin ieder een rol en voedsel had, is verdwenen. We zijn bij Africat North. Hiervóór bezochten we Okonjima, voormalig veebedrijf van de familie Hanssen. Nu is de oorspronkelijke ‘farm’, plus vier naastgelegen bedrijven, ‘The Home of the Africat Foundation’, met lodge en reservaat. In 1993 stopte de familie met boeren, nadat Tammy’s broer Wayne hét grote raadsel oploste toen hij luipaarden bestudeerde, nachtenlang in bomen zat bij een stuk vlees. Wat bleek? Hoe meer luipaarden boeren schoten, hoe meer er kwamen: er was immers water en vlees! Die wetenschap veranderde alles. De Hanssens richtten zich voortaan op de opvang van gewonde dieren, moederloze welpen en op toerisme. Op weg naar Etosha National Park, overnachten reizigers nu in Okonjima en gaan op safari in het inmiddels omheinde terrein waar de weer gezonde dieren in ‘vrijheid’ leven. Gids Mike kent alle cheeta’s en luipaarden, die ook een GPS-halsband dragen. Dat levert gedragsgegevens en daarmee helpt AfriCat boeren. Voordeel dus voor mens én dier. Ook wij gaan op safari. We naderen de cheeta’s te voet. Dat voelt ongemakkelijk, maar de dieren kijken niet eens! Voor de zebra in de verte, dáárvoor komen ze overeind. Wij krijgen alleen maar oren: boodschap duidelijk èn geruststellend. Dag twee is andere koek: luipaardsafari. Instructie van Mike: zelfs geen vinger buitenboord zodra de antenne een luipaard signaleert! De spanning stijgt: een pieptoon, héél dichtbij. Ineens zit ze voor ons: zij heeft geen antenne nodig. Het luipaardvrouwtje duikt de struiken in, wij hotsend, botsend er achteraan. De blauwe plekken worden beloond: we zien een keerpunt in het luipaardleven. Moeder verbiedt haar twee welpen, zo’n anderhalf jaar oud, mee te eten van haar prooi. Ze moeten voortaan voor zichzelf zorgen. Dat is hard, met een maaltijd voor je neus. De pubers proberen het natuurlijk toch. Het mannetje steelt een stuk gazelle, neemt een hap, laat de rest aan zijn zus. Hij gaat opnieuw de strijd met moeder aan. Even laat ze het toe, om dan ineens uit te halen. Dit is menens! Het spannendste deel van ons bezoek is meewerken bij de jaarlijkse gezondheidskeuring van dieren in gevangenschap. In twee dagen liggen tweeëntwintig cheeta’s op de onderzoektafels van AfriCat Clinic: groot en prachtig. Tweeëntwintig races tegen de klok, ventilator en plantenspuit in de aanslag. Onder narcose stijgt de lichaamstemperatuur van cheeta’s snel, met risico op hersenbeschadiging. Mijn taak is het schoonmaken van cheetanekken zodat dierenarts Mark injecties kan geven. Volop klitten, die dingen waarmee we elkaar als kind bekogelden. En massa’s vliegen die zich graag in mensenhaar nestelen. Joop, mijn man, volgt het bijkomen van de dieren. In de kratten met luikje kijk je soms onverwacht in enorme bruine ogen. Een enkele keer klinkt getjilp: een cheeta mist zijn maatjes. Nu gaan we op pad rond AfriCat North. Op nagenoeg woestijn boeren zwarte clans. Veeboeren land toewijzen met natuurreservaat Etosha als buurman: niet slim van het Ministerie! In de dorpen staan veel kralen als nachtelijke bescherming voor vee. De meeste te zwak om roofdieren te stoppen. Daarom helpt AfriCat. Ook waterpompen krijgen een degelijke omheining, dit keer voor olifanten. Als de watervoorraad in Etosha opraakt komen die hier tanken. Eerst stonden er hoge silo’s. Die werden door moeders grondig verbouwd om hun kleintjes te laten drinken. Dan liever AfriCat. Olifanten houden leeuwen weg. En als je moet kiezen tussen die twee is de keuze niet moeilijk! Weer een telefoontje. Na afloop slaan vlammen uit Tammy’s oren: ‘Een boer. Leeuwen hebben zich vergrepen aan vee. Onduidelijk is of het vee in de kraal stond. Niet dus en ze zijn nog dronken ook.’ Tammy kent haar pappenheimers. Deze boeren bouwden kortgeleden een kraal maar gebruiken hem niet. Téveel problemen maken passief: geld- en kennisgebrek, slecht overheidsbeleid èn roofdieren. Daarom gaat Tammy erheen nu ze hulp vragen, boos of niet. Wat een baan! Natuurlijk willen wij mee. Eerst rijden we nog naar ‘mijn’ adoptieleeuw Senzhi. Gevonden als welp, moeder doodgeschoten, leerde hij nooit jagen. In vrijheid leven is daarom onmogelijk. Kortgeleden was er hier nog een ‘familie’ van twee leeuwinnen en drie leeuwen, Senzhi als jongste. Pofadders doodden beide leeuwinnen. De andere leeuwenmannen, broers, keerden zich tegen Senzhi; nu zit hij alleen. ‘He’s a bit grumpy since he’s alone.’ zegt Uwe, Tammy’s man. Niet vreemd: de leeuw is de enige kat die in groepsverband leeft. Een stuk vlees vliegt over het hek: we zien een beige flits. Langzaam verder rijdend loopt Senzhi opeens mee langs de omheining. Ik dicht hem natuurlijk menselijke eigenschappen toe, maar dit beeld zal ik niet gauw vergeten. De natuur is hard. Mensen die moeders doodschieten: daar zijn geen woorden voor. Anderhalf uur lang hobbelen we naar loslopend vee en tien mannen gehuld in een doordringende dranklucht. Het lijkt loos alarm. Langdurige frustratie en onwil van de overheid om de hekken rond Etosha te repareren, leidden waarschijnlijk tot deze woede-uitbarsting. Dan staat Tammy voor aangeschoten boeren. Hadden we nu maar kattenoren! In optocht onder de sterrenhemel: AfriCat-auto, wij, boeren. De tactiek is lawaai maken (geweerschoten) om de leeuwen terug het park in te jagen. Sidney schiet op verschillende plekken. Ineens denkt iemand een paar leeuwenoren te zien. Of wil ze zien? Tegen middernacht sluit ik mijn ogen. M’n hoofd vult zich met het beeld van Senzhi en Tammy’s ‘Opgeven: nooit!’ Ik weet wat me te doen staat, straks terug in Nederland.

Ons oerwoud

Wij wonen in een Hollands rijtje van tien met bijpassend achtertuintje in zakformaat. Gewoner kan het niet. Toch hebben wij iets bijzonders. Aansluitend aan de tuintjes ligt een groenstrook van vijftien meter diep. Een plantsoen dat meer weg heeft van een klein oerwoud. Chaos regeert in dat oerwoud. Struiken en bomen verstrengelen zich in buitenissige vormen en scheppen een beschutte plek voor plaatselijke mens en fauna. Kinderen, katten, kippen en egels scharrelen eindeloos door het groen. Midden in de Randstad genieten wij van seizoenskleuren en vogels, veel vogels.

Sommige buren houden wel van oerwoud maar niet zo van chaos. Stiekem, soms helemaal niet stiekem, worden stukjes groen geannexeerd en in cultuur gebracht. Het eerste piepkleine tuinhuisje is al gearriveerd. Daaromheen tiert het oerwoud gelukkig nog welig.

Om ‘budgettechnische redenen’ wordt slechts eens in de vijf jaar de orde hersteld. Dat gaat er hardhandig aan toe. De dienst Groen rukt uit met groot materieel voor operatie ‘Kaalslag’. Hele struiken worden vermalen tot snippers en heggetjes tot bij de grond afgemaaid. Wij en het oerwoud houden de adem in bij het geluid van de motorzaag. Na afloop nemen we hoofdschuddend de schade op.

Volgens stilzwijgende afspraak in ons Hollands rijtje helpen alle buren mee om het oerwoud er weer bovenop te helpen. Voor overtollig groen uit de tuinen zoeken we met zorg een nieuwe standplaats. Kerstbomen met kluit, na twee jaar trouwe dienst enigszins uit model, vinden er een nieuw thuis. Oude bloembollen worden uitgestrooid zodat nu blauwe druifjes en narcissen het oerwoud bewonen.

Af en toe valt er écht een schaduw over ons rijtje: van kleine bomen die te groot zijn geworden  Dan roept een van de buren de dienst Groen te hulp om een woudreus te vellen, altijd tot ongenoegen van de andere bewoners. Zorgvuldig laveren gemeentemensen tussen oplopende emoties en kappen uiteindelijk de boom. Er volgt een periode van gespannen stilte tussen de buren. Na enkele weken sluiten we vrede met het gat in het oerwoud en met elkaar. We besluiten weer te genieten: van ons oerwoud, de vogels én van meer zon in de tuin.

Lia Spitters, 2005

Winnend verhaal Consumentenreisgids 2003

Ijzig Nieuwjaar

Vroeg wakker, bestudeer ik de sterrenhemel door de kieren in onze houten hotelkamermuur. Ik kan de gehuurde slaapzak goed gebruiken, al vraag ik me af wie er eerder in hebben geslapen. Fris ruikt hij niet.

Het is oudejaarsdag en we zijn we op het hoogste punt van onze tiendaagse wandeling door het Annapurnagebied, Nepal. Het is prachtig, maar het vriest ’s nachts 15 graden. ‘Dat is toch teveel’, denk ik. Uitgerekend hier hebben we een rustdag. Dat betekent kou lijden vandaag. De kachel gaat alleen aan om te koken. Volkomen begrijpelijk, want hout is schaars, maar aangenaam is het niet. Bij het ontbijt praten we over oudejaarsavond. Dat moeten we vieren. Het is te koud om lang op te blijven, daarom besluiten we het nieuwe jaar om 8 uur vanavond te laten beginnen. Wel met een feestje natuurlijk. Onze gastvrouw zal een appeltaart bakken, dat heeft ze geleerd van eerdere gasten. Geweldig. Het heeft twee voordelen: de kachel brandt langer én taart. En al zijn de Nepalezen ons ver vooruit , zij leven al in 2058, een feestje lijkt ze wel leuk.

We gaan alle tien wandelen; wat moet je anders zonder kachel. Het wordt een glibberpartij; we komen allemaal nat thuis. Gelukkig is het snel lunchtijd en kunnen onze kleren drogen. Daarna een koude middag met spelletjes, onderbroken door geur van appeltaart; die wel anders ruikt als thuis. En dan: ons feestje! Voor Nepalese kinderen meegenomen Nederlandse ballonnen versieren de huiskamer tot genoegen van gastvrouw en dragers. Tegen achten wordt voor deze ene keer de kachel opgestookt. Klokslag 8 uur wensen we elkaar alle goeds; ook de Nepalezen doen mee. Een vooruitziende geest heeft sterretjes van huis meegenomen, een wonder voor dragers en gastvrouw. De multiculturele appeltaart is heel bijzonder. Hij smaakt verdacht veel naar het nationale gerecht Dal baath, van linzen, aardappelen en rijst. Maar met warme raksi, (rijstlikeur) erbij, is dat geen probleem. ‘Wie heeft er nou ooit zo’n oudejaarsavond meegemaakt?’ zeggen we tegen elkaar als de taart en sterretjes op zijn en het snel kouder wordt.

Om half 9 is het bedtijd. Ik ga nog even naar de wc. Misschien hoef ik dan vannacht niet, want het is een hele expeditie. De wc is een hokje, 150 meter verderop over een aflopend ijzig pad. Heen gaat prima; terug kost me tien minuten. De deur is op slot. Ik bons, loop naar de andere deur en doe hetzelfde. Geen respons. Zouden de dragers, na al die raksi, nu al liggen te snurken? Is dit mijn nieuwjaar, alleen in de kou? Na wat wel een uur lijkt te duren, hoort iemand me en kan ik verkleumd mijn geurende slaapzak in. Gelukkig nieuwjaar !

Lia Spitters